Wat is ukûwah islâmiyyah? Ukûwah islâmiyyah,
oftewel islamitische broederschap, is een genade, een licht en een
goddelijke zegen. Broederschap is een geschenk van Allâh aan de harten van
Zijn dienaren die Hem met iklâs (Zuivere aanbidding, dwz alleen Allâh en
niets of niemand daarnaast als prioriteit stellend) aanbidden, aan de door
Hem uitverkoren walî’s (Gelovigen die heel dicht bij Allâh staan) en de
mensen die taqwâ (godsvrucht) hebben. Over broederschap heeft Allâh gezegd
in Q Al-Anfâl 8:63: “Als je alles wat op aarde is zou besteden, dan nog
kon je de hun harten niet verenigen. Maar Allâh heeft hen verenigd.” En in
Q Al-'Imrân 3:103 heeft Hij geopenbaard: “En gedenkt de gunst van Allâh
aan jullie. Want jullie waren vijanden en Hij heeft jullie harten verenigd
en jullie werden toen door Zijn gunst broeders.”
Ukûwah, îmân en taqwâ
Ukûwah is nauw verbonden met îmân en taqwâ. Broederschap komt voort uit
onderlinge genegenheid voor elkaar en maakt dat mensen op een positieve
manier met elkaar omgaan: ze helpen elkaar, stellen de ander voor
zichzelf, zijn vergevingsgezind, etc. Dit soort kwaliteiten komt voort uit
een diep geloof in Allâh als Enige, een sterke islamitische
geloofsovertuiging en taqwâ. Allâh heeft hierover gezegd in Q Al-Hujurât
49:10: “De gelovigen zijn slechts broeders.” En in Q Az-Zukruf 43:67
staat: “Hartsvrienden zullen die dag elkaars vijanden zijn, behalve de
godsvruchtigen.” Uit deze twee âyât blijkt dus, dat er geen twijfel over
kan bestaan dat er geen ware vriendschap kan zijn als dat niet gebaseerd
is op geloof in Allâh, maar op eigenbelang en de eigen behoeften van het
individu, de groep of organisatie. Geloof in Allâh maakt dat muslims zich
met elkaar verwant voelen en smeedt een eeuwige band. Maar vriendschappen
die niet uit îmân voortkomen, spatten vaak als een zeepbel uiteen als er
een meningsverschil ontstaat of de een de ander niet meer nodig heeft. Als
iemand zegt dat hij gelovig is en godvruchtig, maar de eigenschap van
ukûwah mist, dan betekent dat dat zijn îmân nog half en zijn taqwâ
onvolkomen is. Rasûlullâh s.a.w heeft hierover gezegd: - Niemand van
jullie gelooft werkelijk tot hij voor zijn broeder wenst wat hij voor
zichzelf wenst.- (Bukârî/Muslim). In Q Al-Mâ’idah 5:2 heeft Allâh
geopenbaard: “Help elkaar tot vroomheid en godsvrucht en help elkaar niet
tot zonde en ongeloof. En vrees Allâh.”
De band van het geloof
Als twee muslims die alle twee goede îmân en taqwâ hebben elkaar
ontmoeten, dan klikt het meteen en zijn ze elkaar direct sympathiek en
vertrouwd en er ontstaat direct wederzijdse liefde en een hechte
vriendschap tussen hen beiden. Anders is het met zielen die hun relaties
baseren op ongeloof en slecht gedrag. Voor hen is het onmogelijk om één te
worden met anderen en een goede band te ontwikkelen. Want tussen deze twee
gedragingen ligt een wereld van verschil: ze komen voort uit twee
verschillende bronnen en hebben een andere motivatie en doel. Rasûlullâh
s.a.w zei hierover: -Mensen zijn mijnen, net als goud- en zilvermijnen. De
besten van hen in de jâhiliyyah (Tijd der onwetendheid, voor de komst van
de islâm) zijn de besten in de islâm wanneer ze begrijpen. En de zielen
zijn gemobiliseerde soldaten. Wie daaruit elkaar leren kennen krijgen een
hechte band, maar wie elkaar niet kent, blijft gescheiden.-
(Bukârî/Muslim)
Ukûwah, îmân en taqwâ zijn dus niet van elkaar los te zien. Een mu’min
(gelovige) wordt één met zijn broeders en zusters, zijn hart en ziel zijn
rein maar hij kan niet een zijn met zijn vijanden. Daarom moet iedereen
proberen om daadwerkelijke ukûwah islâmiyyah op te bouwen. Daardoor kunnen
we van elkaar (muslims) gaan houden en een principieel en sterk blok
vormen tegenover de ongelovigen, zoals de sahâbah waren in de tijd van
Rasûlullâh s.a.w . Allâh zei hierover in sûrat Al-Fath 48:29: “Muhammad is
de Boodschapper van Allâh en degenen met hem zijn sterk tegen de
ongelovigen en zijn barmhartig jegens elkaar.”
De kwaliteiten van ukûwah
Ukûwah kent bepaalde kwaliteiten. Als iemands geloof en overtuiging zo
sterk zijn, dat hij de genegenheid en band voelt met de rest van zijn
muslimbroeders, dan is dat af te lezen aan bepaalde kenmerken, onder
andere:
1 Hun gezicht straalt licht.
De mensen die elkaars broeders zijn, gebaseerd op de liefde voor Allâh ,
hebben een stralend gezicht, zoals staat in volgende overlevering: -
Rasûlullâh zei: ‘Er zijn mensen onder de dienaren die zelf geen profeten
of šuhadâ’(Martelaren, mensen die gestorven zijn voor en vanuit het geloof
in Allâh ) zijn, die benijd worden door de profeten en šuhadâ’ op de Dag
der Opstanding vanwege hun positie bij Allâhu Tacâlâ.’ Ze vroegen: ‘O
Rasûlullâh, kunt u ons vertellen wie dat zijn?’ Hij antwoordde: ‘Het zijn
mensen die van elkaar houden vanwege de Geest van Allâh zonder dat er een
bloedband tussen hen is of dat ze elkaar bezit geven. Bij Allâh, hun
gezicht is licht en ze zijn in licht. Ze vrezen niet als andere mensen
bang zijn en kennen geen verdriet als andere mensen verdrietig zijn.- (Abû
Dâwûd)
2 Hun zonden worden vergeven,
zoals blijkt uit volgende hadît: - Rasûlullâh zei: ‘Wanneer een muslim
zijn broeder ontmoet en zijn hand neemt, vallen hun zonden van hen af als
droge blaadjes van de bomen op een heel winderige dag. En hun zonden
worden zelfs vergeven als ze meer zouden zijn dan het schuim van de zee.-
(At-Tabarânî)
3 Op Yawm ul-Qiyâmah (Dag der Opstanding) staan ze in de schaduw van
Allâhs Troon:Rasûlullâh vertelde: ‘Op Yawm ul-Qiyâmah zegt Allâhu Tacâlâ:
“Waar zijn de mensen die van elkaar houden vanwege Mijn Majesteit. Vandaag
is hun schaduw in Mijn schaduw, een dag waarop er geen schaduw dan de
Mijne”.’- (Muslim) En ze behoren tot de zeven groepen die beschermd zullen
worden door Allâh: - …twee muslims die van elkaar houden omwille van
Allâh, ermee bij elkaar komen en ermee uiteengaan...- (Bukârî/Muslim)
4 Ze krijgen de mahabbah ilâhiyyah (liefde van Allâh).
Abû Hurayrah r.a heeft op gezag van de Profeet s.a.w de volgende hadît
overgeleverd: - Een man ging bij zijn broeder in een ander dorp op bezoek
en Allâh zond een engel op zijn weg. Toen deze bij hem kwam vroeg hij:
‘Waar wil je heen?’ De man antwoordde: ‘Ik wil naar een broeder van mij in
dit dorp.’ De engel vroeg: ‘Heb je een geschenk dat je hem kan geven?’ Hij
antwoordde: ‘Nee, behal-ve dat ik van hem houdt vanwege Allâhu Tacâlâ.’
Hij zei: ‘Ik ben door Allâh naar jou gezonden met de boodschap dat Allâh
van jou houdt, omdat jij van een ander houdt om wille van Hem.’- (Muslim)
5 Ze krijgen het Paradijs en de tevredenheid van Allâh:
- Wie op visite gaat bij een zieke en een broeder omwille van Allâh
bezoekt, hem zal een heraut toeroepen: ‘Je hebt heuglijk gehandeld en je
weg zal heuglijk zijn. En ze zal een plaats innemen in Jannah
(Paradijs).’- (Tirmidî)
6 Ze zullen de zoetheid van îmân proeven.Rasûlullâh s.a.w zei hierover: -
‘Er zijn drie dingen, waarin iemand die ze heeft de zoetheid van het
geloof kan vinden: dat Allâh en Zijn Profeet hem geliefder zijn dan al het
andere, dat hij slechts van iemand houdt omwille van Allâh en dat hij
verafschuwt weer in kufr (ongeloof) te vallen nadat Allâh hem ervan heeft
bevrijd, zoals hij verafschuwt in het Vuur geworpen te worden.’- (Muslim)
Broeders en zusters in islâm, dit zijn een paar kwaliteiten, werelds en
ukrâwî(Op het hiernamaals betrekking hebbende) die uitermate belangrijk
zijn voor degenen die de weg van de ukûwah willen bewandelen en die willen
opgaan in de dîn van Allâh . Hun gezicht straalt, hun zonden verdwijnen
zoals blaadjes van de bomen vallen, Allâh beschermt hen en plaatst hen in
de beschutting van Zijn cArš (Troon), de dag dat er geen enkele
bescherming is dan de bescherming van Allâh. Hij schenkt hen Zijn
overvloedige liefde en plaatst hen in de heerlijke Jannah. Ze proeven de
zoetheid van hun islâm en îmân. Welke voortren warme relatie ontstaat er
als ze elkaar de hand schudden, van elkaar houden en samengesmeed worden
door een permanente band: de band van islamitische broederschap.
Bron: Al-Ukûwah al-islâmiyyah, cAbdullâh Nasîh cUlwân
1 Zuivere aanbidding, dwz alleen Allâh en niets of niemand daarnaast als
prioriteit stellend
2 Gelovigen die heel dicht bij Allâh staan
3 Tijd der onwetendheid, voor de komst van de islâm
4 Martelaren, mensen die gestorven zijn voor en vanuit het geloof in
Allâh.
5 Op het hiernamaals betrekking hebbende.

