“En als twee groepen gelovigen met elkaar
vechten, verzoen hen dan met elkaar. Maar als één van hen de ander onrecht
aandoet, bestrijdt dan degene die onrecht begaat totdat hij terugkeert
naar het gebod van Allâh. Als hij dan terugkeert, verzoen hen dan met
elkaar in billijkheid en handel rechtvaardig. Voorwaar, Allâh houdt van de
rechtvaardigen.”(9) “De gelovigen zijn slechts broeders. Verzoen dus
jullie beide broeders. En vrees Allâh, wellicht zullen jullie genade
ontvangen.”(10) “O jullie die geloven, laat de ene groep mensen de andere
groep niet bespotten, misschien zijn de laatsten beter dan de eersten,
noch de ene groep vrouwen de andere, misschien zijn de laatsten beter dan
de eersten. En belaster julliezelf niet en geef elkaar geen spotnamen, hoe
slecht is een naam die zondigheid aanduidt na geloof (aanvaard te hebben).
En wie geen berouw toont, dat zijn de onrechtbedrijvers.(11) “O jullie die
geloven, vermijd veel verdenkingen, sommige verdenkingen zijn zonde. En
spioneer niet en spreek geen kwaad van elkaar. Zou één van jullie het
vlees van zijn dode broeder willen eten? Dat zouden jullie verafschuwen.
En vrees Allâh, voorwaar, Allâh is de Vergevingsgezinde, de
Genadevolle.”(12) “We hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en
jullie tot volken en stammen gemaakt, opdat jullie elkaar leren kennen.
Voorwaar, de meest hoogstaande onder jullie in ogen van Allâh is de meest
godvruchtige. Voorwaar, Allâh is de Alwetende, de Alom-Bewuste.”(13) [Q
49:9-13]
Inleiding
Deze vijf verzen gaan over de stappen en maatregelen die dienen om de
wereldmuslimgemeenschap te beschermen tegen ontwrichting. Deze regels zijn
gebaseerd op het principe van broederschap tussen de gelovigen,
rechtvaardigheid en verzoening, taqwâ (godsvrucht) en de hoop op Allâhs
genade en tevredenheid. Verder behandelen ze de fatsoensnormen met
betrekking tot de gevoelens van de mensen voor elkaar en de manier waarop
men met elkaar omgaat. Ze geven regels voor de bescherming van de eer,
veiligheid en vrijheid. Daarnaast wordt er gewezen op de
gemeenschappelijke oorsprong van de gehele mensheid in al haar
verscheidenheid en dat de mensen worden beoordeeld met één enkele
standaard: die van Allâh.
Verzoening (âyah 9)
De Qur’ân voorziet de mogelijkheid, dat twee groepen gelovigen tegen
elkaar vechten. Ze blijven gelovig, hoewel een van de twee of misschien
beiden de ander onrecht aandoen. Hij draagt de andere gelovigen op, die
natuurlijk niet tot de strijdende partijen behoren, om de twee ruziënde
groepen te verzoenen. Maar als een van hen of beiden niet terug willen
keren naar de waarheid en vrede afwijzen of het oordeel van Allâh in dit
conflict niet aanvaarden, dan moeten de gelovigen hen bestrijden, totdat
ze zich weer voegen naar Zijn gebod. Het gebod van Allâh houdt in, dat de
ruzie wordt bijgelegd en dat ze Zijn oordeel over dit geschil aanvaarden.
Als bereikt wordt dat ze Zijn oordeel accep-teren, dan nemen de gelovigen
hun verzoening op zich. Een verzoening die gebaseerd is op een verfijnde
soort rechtvaardigheid en die voortkomt uit gehoor-zaamheid aan Allâh en
het verlangen naar Zijn tevredenheid, want:“Allâh houdt van de
rechtvaardigen.
”Broederschap (âyah 10)“De gelovigen zijn slechts broeders.” Met deze
woorden mobiliseert de Qur’ân de harten van de gelovigen en wekt hij een
vertrouwensband die hen weer verenigt nadat ze verdeeld waren of een
conflict hadden. Hij roept de godsvrucht aan Allâh in herinnering en maakt
melding van Zijn genade die men hierdoor verkrijgt. Uit dit vers blijkt
dat broederschap, liefde, vrede, hulp en eenheid het fundament vormen
waarop de islamitische gemeenschap is opgebouwd. Geschillen en conflicten
vormen uitzonderingen. Het is toegestaan, dat andere gelovigen de
onrechtplegers bestrijden om hen weer in het gelid te krijgen. Dit is een
strenge en krachtige maatregel en een die te allen tijde volstrekte
onpartijdigheid en rechtvaardigheid vereist. De andere gelovigen mengen
zich immers niet in hun strijd om hen te veroordelen, maar om hen weer
samen te brengen onder de vlag van de islamitische broederschap.
Een wereldleiderschap
Basisprincipe voor de organisatie van de muslimgemeenschap is, dat alle
muslims ter wereld één enkele gemeenschap vormen en daarom één enkele
leider hebben. De eed van trouw aan deze ene leider verplicht de muslims
ertoe om een tweede als onrechtpleger te beschouwen en hem te bestrijden.
Het feit, dat de afzonderlijke muslimlanden elk hun aparte leiders hebben
is in wezen een noodtoestand en een uitzondering op de regel. Maar ook nu
dienen de gelovigen zich onder één leider te verenigen en degenen die
tegen zijn gezag in opstand komen te bestrijden, totdat ze terugkeren naar
het gebod van Allâh. Het is duidelijk dat deze methode van arbitrage en
bestrijding van de ongerechte groep de voorkeur verdient boven alle
menselijke pogingen op deze weg. De menselijke inspanningen zijn gebrekkig
en beperkt, maar deze methode is zuiver, betrouwbaar en absoluut
rechtvaardig, omdat arbitrage bij Allâh niet bezoedeld is door
vooroordelen, grillen en menselijke tekortkomingen. De mensheid struikelt
en strompelt, terwijl voor haar de duidelijke geplaveide rechte weg ligt!
Normen en waarden (âyah 11)
In de islamitische gemeenschap heeft elk individu zijn onaantastbare eer
die beschermd wordt door hoogstaande normen. De eer van het individu is
gelijk aan de eer van de gemeenschap, omdat de gemeenschap één geheel
vormt met één eer. Het belasteren van een persoon is daarom hetzelfde als
het belasteren van de ziel van de gemeenschap. Derhalve verbiedt de
Qur’ân, dat de mannen kwaad spreken over elkaar, want misschien zijn de
anderen juist beter dan zijzelf en dat de vrouwen kwaad spreken over
andere vrouwen, want wellicht zijn deze beter dan zij volgens de
weegschaal van Allâh. In deze âyah ligt de verborgen openbaring besloten,
dat de uiterlijke waarden waarmee de mensen elkaar beoordelen niet de
werkelijke waarden zijn waarmee ze gewogen worden. Er zijn andere waarden,
verborgen voor de mens en die alleen Allâh kent, waarmee Hij zijn dienaren
weegt. De ene man bespot andermans armoede, zwakte of ziek zijn. Hij lacht
om andermans onkunde, onvruchtbaarheid of wees zijn. De ene vrouw bespot
de andere vanwege haar lelijkheid, ouderdom, slechte figuur of armoede.
Maar deze en vergelijkbare aardse waarden zijn niet de werkelijke
graadmeter, want Allâhs weegschaal rijst en daalt onafhankelijk van dit
soort maatstaven.
De Qur’ân mobiliseert daarom de liefde voor de geloofsbroederschap en
zegt, dat de gelovigen een enkele ziel en zelf zijn:“En belaster
julliezelf niet.” Laster is onterend en tot laster behoort ook het geven
van verwerpelijke bijnamen. Het is het recht van elke muslim, dat een
andere muslim hem niet noemt bij een naam die hij verafschuwt en die hem
vernedert. En het behoort tot de goede manieren van een muslim om zijn
broeder met zoiets niet te kwetsen. Rasûlullâh s.a.w heeft daarom
vernederende en onaangename namen en bijnamen die sommigen in de Jâhilîyah
(tijd van onwetendheid voor de islâm) veranderd en met zijn
fijngevoeligheid door respektvolle namen vervangen. Dit vers herinnert de
muslims aan de betekenis van îmân (geloof) en waarschuwt tegen het verlies
hiervan : “Hoe slecht is een naam die zondigheid aanduidt na geloof”. Deze
âyah noemt dit een groot onrecht en het plegen van onrecht is een uiting
van širk (afgoderij) en een daad die berouw behoeft.
Verdenking (âyah 12)
Dit vers richt een beschermend schild op rond de gemeenschap met
betrekking tot de onschendbaarheid van het individu, zijn eer en zijn
vrijheid, en leert de mensen op een opmerkelijke en effectieve manier hoe
ze hun gevoelens en harten moeten zuiveren. Hij beveelt hen om zich verre
te houden van veel verdenkingen en zich niet over te geven aan alles wat
in hen opkomt aan vermoedens, twijfels en verdenkingen, want:“Sommige
verdenkingen zijn zonde.” En aangezien men niet weet welke vdens zonde
zijn, betekent dit dat men zich volledig verre moet houden van alle
slechte vermoedens. Zo reinigt de Qur’ân het hart, dat bezoedeld is door
kwade verdenkingen en in zonde vervalt. Hij bevrijdt hem van bange
gedachten, twijfels, verdenkingen, onrust en bezorgdheid. Hoe vredig is
het leven in een maatschappij die vrij is van verdenkingen! In zo’n
maatschappij wordt niemand op grond van twijfels vervolgd of vermoedens
tot basis van de rechtspraak gemaakt of tot reden om iemand te
ondervragen. De Gezant s.a.w zei: ‘Als je iets vermoedt, onderzoek het dan
niet.’ Mensen zijn dus onschuldig totdat duidelijk blijkt dat ze zich
daadwerkelijk bezondigen aan datgene wat men reeds vermoedde. Maar
vermoedens alleen zijn niet genoeg om zo iemand te vervolgen om de
verdenkingen te kunnen checken.
Spioneren
De tekst vervolgt met het verbod op spioneren, want dit is de stap die
volgt op verdenking en het is de beginstap in het blootleggen van
verborgen gebreken en het onthullen van beschamende zaken. Dit verbod op
spionage is een van de hoofdprincipes van de islâm in het kader van de
maatschappelijke orde en wettelijke maatregelen. De vrijheid en eer van de
mensen mogen op geen enkele wijze aangetast worden. In de islamitische
maatschappij leven de mensen in veiligheid wat betreft zichzelf, hun huis,
hun geheimen en verborgen gebreken. En er is geen enkel excuus om dit te
mogen schenden. Zelfs de vervolging en het onderzoeken van een misdaad is
geen reden om te mogen spioneren. En niemand mag opgepakt worden, tenzij
duidelijk blijkt waaraan hij zich schuldig heeft gemaakt.
Zayd ibn Wahb ra vertelde: ‘Ibn Mascûd kwam bij mij en iemand zei tegen
hem: “De baard van die en die drupt van de wijn.” En cAbdullâh ibn Mascûd
antwoordde: “We mogen niet spioneren, maar als iets duidelijk blijkt mogen
we hem oppakken”.’ En Mujâhid zei: ‘Spioneer niet. Neem aan wat jullie
duidelijk is en laat wat Allâh heeft verhuld.
Op deze manier vormt dit stuk tekst een beschermend schild rond de eer, de
rechten en vrijheid van de mensen.
Kwaadspreken
De âyah gaat verder op een wonderbaarlijke en verbazingwekkende wijze. Het
verbod op kwaadsprekerij wordt met een weerzinwekkende scene geschetst
door het beeld van iemand die zijn dode broeder opeet. En er wordt dus
gezegd, dat kwaadsprekerij even walgelijk en afschuwelijk is. Dit vers
besluit met de mobilisatie van de gevoelens van taqwâ en wijst erop, dat
degene die zich aan zoiets bezondigt berouw moet tonen, hopend op Zijn
genade. Abû Hurayrah vertelde: ‘Iemand vroeg: “O Rasûlullâh, wat is
kwaadsprekerij?” Hij s.a.w antwoordde: “Iets vertellen over je broeder wat
hij niet leuk vindt.” Iemand vroeg: “En wat als er iets is met mijn
broeder en ik zeg het?” Hijs.a.w antwoordde: “Als er iets met hem is en je
zegt het, dan bega je je aan kwaadsprekerij en als er niets met hem is om
te vertellen, dan heb je hem gesmaad”.’ Deze Qur’ântekst dringt diep door
in het leven van de muslimgemeenschap en ontwikkelt zich tot een scherm
rond de eer van de mensen en bewerkstelligt een diepe moraal van de ziel
en het hart en een mildheid die op aarde heerst.
De eenheid van de mensheid (âyah 13)
Allâh noemt hier de mensheid met al zijn verschillen en verscheidenheid:
verschillend van geslacht, kleur, volk en stam. Maar afkomstig van één
enkele origine. Dus maak geen ruzie en splits jullie niet op in
verschillende groepen.“O mensen”. Het is jullie Schepper die jullie zo
aanroept, man en vrouw, behorend tot verschillende stammen en volken.
Allâh herinnert er aan dat het doel van die verscheidenheid niet vechten
is, maar juist het elkaar leren kennen en het in harmonie samenleven met
elkaar. Al die verschillen in taal, kleur, aanleg, aard, gaven en
neigingen zijn geen reden voor ruzie en onenigheid, maar juist een reden
om elkaar te helpen bij het vervullen van alle geboden en vereisten. Deze
verschillen zijn van geen enkel belang op de weegschaal van Allâh.
Er is slechts één weegschaal waarmee Hij de waarde bepaalt en waarmee Hij
de beste mensen onderscheidt:“De meest hoogstaande onder jullie in ogen
van Allâh is de meest godvruchtige.” Hier vallen alle verschillen en
waarden weg en één weegschaal rijst en daalt met maar één maat en met deze
weegschaal onderzoekt Hij de mens. Zo verdwijnen alle redenen voor strijd
en conflicten op aarde en verliezen alle menselijke vormen waarover de
mensen ruziën hun waarde. De islâm bestrijdt het overdreven gehecht zijn
aan de herkomst, de soort, stam of afkomst om zo de mondiale menselijk
orde op te richten onder die ene vlag: de vlag van Allâh. Geen vaderlandse
of nationale vlag, geen familiewapen of symbool van een bepaalde soort. Al
deze onechte vlaggen kent de islâm niet. Rasûlullâh s.a.w zei: ‘Jullie
zijn allemaal kinderen van Âdam en Âdam is uit stof geschapen. Laat ieder
volk dus ophouden trots te zijn op zijn voorouders of ze zullen in ogen
van Allâh nog verachtelijker zijn dan mestkevers.’ Dit is de fundering
waarop de islamitische gemeenschap is opgebouwd: de
wereldmensengemeenschap, waarin de mensen proberen hun rijke fantasie aan
te wenden om één soort te realiseren en hun vleugels uit te slaan. Want
vooralsnog volgen ze nog niet de rechte weg naar Allâh en staan nog niet
gezamelijk onder die ene verenigde vlag: de Vlag van Allâh.
(Bron: Fî zilâl al-Qur’ân, Sayyid Qutb)

